In ruim tachtig gemeenten gaan nieuwkomers met een verblijfsvergunning hun inburgering combineren met werken. Minister Aartsen van Werk en Participatie schrijft aan de Tweede Kamer dat hij ze zogeheten ‘startbanen’ wil aanbieden, zo snel mogelijk nadat ze zich in een gemeente hebben gevestigd. Dat zijn banen waarin je ook kunt meekomen als je nog niet goed Nederlands spreekt, met name in de logistiek, horeca en bouw.
Uit cijfers blijkt dat een groot deel van de statushouders geen werk heeft en afhankelijk is van een bijstandsuitkering. Na drie jaar zit nog zo’n zeventig procent van de nieuwkomers zonder werk.
“Als je naar Nederland komt dan ga je aan het werk en leer je de taal. Dat moet het uitgangspunt zijn, maar zo is het nu niet”, zegt minister Aartsen. Juist door te werken leer je de taal en statushouders bouwen zo ook makkelijker een zelfstandig bestaan op, is zijn redenering. “En we hebben iedereen keihard nodig op de arbeidsmarkt.”
Proef
Er loopt al drie jaar een proef met startbanen in gemeenten als Amsterdam, Rotterdam en Eindhoven. Uit een evaluatie blijkt dat 44 procent van de deelnemers die zich aanmeldden aan het werk is gegaan. Omdat statushouders ook naar inburgeringscursussen moeten, ging het aanvankelijk vooral om deeltijdbanen.
De proef kwam er op initiatief van Aartsen, die toen nog Kamerlid voor de VVD was. Hoewel hij het aantal nieuwkomers dat een baan vond nog te laag vindt, wil hij het project nu wel uitbreiden. Hij noemt het “een eerste stap” naar een nieuwe aanpak van het probleem. Voor de zomer wil hij met meer plannen komen.
Uit de evaluatie bleek wel dat het moeilijk is om geschikte werkgevers te vinden voor het aanbieden van de startbanen. Ook is er extra begeleiding nodig vanwege de taalachterstand en culturele verschillen. Ook het gebrek aan kinderopvang speelt een rol.